Weer
15.2 °

Honingbij

 

Deze zijn het best gekend. Maar toch bestaan er veel meer soorten bijen dan honingbijen alleen. Honingbijen worden soms zelfs als huisdieren gehouden, denk maar aan imkers. Deze bijen worden gekweekt omdat ze honing produceren. Honingbijen leven in een kolonie. In een gezonde kolonie, is het bijenvolk aan het eind van de maand juni op zijn sterkst. Rond die tijd leven er wel 45.000 tot 60.000 bijen samen in één bijenkast. Het volk bestaat voor een groot deel uit werkbijen. Een werkbij leeft in de zomer ongeveer 6 weken. De eerste 3 weken werkt ze binnen. Na deze 3 weken zal ze steeds vaker de kast verlaten en wordt ze een haalbij. Na 3 weken af en aan vliegen is ze uitgeput en versleten. Ze verlaat de bijenkast om te sterven. Er is één koningin in de kast. Ze legt in de warme periode zo’n 1200 tot 2000 eitjes per dag. Er zijn enkele honderden darren die voor de bevruchting van de jonge koningin zorgen. Een koningin kan ongeveer 5 jaar oud worden. In de winter is de bijenkast minder druk bevolkt. Er is een minimum van 10.000 tot 20.000 bijen nodig om veilig doorheen de winter te komen. De bijen zoeken dan gezamenlijk, in een tros, een plekje in het midden van de kast om het lekker warm te hebben. De winterbijen hebben de taak om het bijenvolk warm te houden en de winter door te komen. Winterbijen kunnen wel 6 à 7 maanden oud worden.

Eén van de moeilijkheden die de imkers ondervinden bij het houden van honingbijen is het bestrijden van de varroamijt.

De varroamijt (Varroa Destructor) is een uitwendige parasiet die voorkomt op insecten, maar zich alleen voort kan planten op het broed van honingbijen. De mijten behoren tot de spinachtigen. In het volwassen stadium bezitten ze acht poten. Het volwassen wijfje is dwars-ovaal van vorm, roodbruin van kleur, 1.1 mm lang en 1.5 mm breed. De mijt is dus met het blote oog goed zichtbaar. De poten zitten verscholen onder het rugschild. Op de dunnen huidgedeelten van de bij zuigen de mijten hemolymfe. Ze zitten tussen kop en borststuk en tussen het achterlijf en de ringen van het achterlijf dicht bij de wasklieren. Kort voor het sluiten van het broed, bij voorkeur het darrenbroed, dringt een varroawijfje een broedcel binnen en laat zich hierin meestal insluiten. Ze legt tegen de wand van de cel twee tot zes eitjes. In de gesloten cel voeden de jonge mijten zich met hemolymfe van de pop. De ontwikkeling van ei tot mijt duurt zes tot tien dagen. De jongen wijfjes worden binnen in de cel bevrucht. De mannetjes sterven na de paring. De volwassen bevruchte wijfjes verlaten met de jonge werkbij of dar de cel. Ze stappen over op andere bijen. Na 4 tot dertien dagen beginnen deze mijten eitjes te leggen in de cellen van de bijna volgroeide larven. De wijfjes leven in de zomer twee tot drie maanden en in de winter vijf tot acht maanden. Buiten het bijenvolk leeft de mijt niet langer dan vijf tot zeven dagen. Door het opzuigen van de hemolymfe worden de volwassen bijen verzwakt. Door de ontstane wonden kunnen ziektekiemen binnendringen. De levensduur kan daardoor tot de helft bekort worden. De jonge mijten voeden zich in de cel met het hemolymfe van de pop. Dit gaat ten koste van diens ontwikkeling. Uit de aangetaste broedcellen komen misvormde bijen, bijvoorbeeld met een verkort achterlijf, vleugelstompjes of afwijkingen aan de poten. Door de kortere levensduur en het geringe aantal levensvatbare jonge bijen, wordt het bijenvolk sterk verzwakt, zo sterk dat het te gronde gaat, meestal binnen drie jaar. In het voorjaar is het aantal mijten het laagst. Tijdens de broedperiode zitten de meeste mijten in gesloten broed. Met de toename van het darrenbroed neemt ook het aantal mijten sterk toe. De voedsterbijen zijn dan sterker besmet dan de vliegbijen. In de nazomer en herfst is het aantal mijten het grootst. De meeste mijten zitten dan op de vliegbijen. In de winter sterft een deel van de mijten. Slechts een klein gedeelte van de mijten overleeft de winter. De aanwezigheid van broed in een bijenvolk is een voorwaarde voor de vermeerdering van de mijten. De ziekte wordt verspreid door vervliegen van darren en werksters, door roverij en door zwermen. De belangrijkste manier van verspreiding gebeurt door de imker zelf: door verwisseling van besmette raten, af laten vliegen, handel en import van bijenvolk en koninginnen.

Bestrijden van de varroamijt:

insecticiden die tegen de mijt kunnen worden ingezet tasten een bepaald lichaamsdeel of –proces van de mijt aan, zoals de ademhaling, het zenuwstelsel, de voortplanting of de stofwisseling. Dergelijke lichaamsdelen zijn echter vergelijkbaar met die van bijen waardoor het inzetten van insecticiden ook de bijen doodt. De volgende methoden van varroabestrijding worden momenteel toegepast door de imkers: bestrijding met oxaalzuur, mierenzuur, thymol (deze stoffen komen ook in de natuur voor), de poedersuikerbehandeling, darrenraat wegsnijden. En er is varroabestrijding door de bijen zelf. Honingbijen die niet in kasten wonen maar in het wild in boomholtes (en dus geen varroabestrijding krijgen) gaan niet aan varroamijten ten onder. Sommige imkers hebben volken die jaren geen schade van de varroamijt lijken te ondervinden. Op dit moment wordt ervan uitgegaan dat bij deze volken waarschijnlijk alle overige omstandigheden optimaal zijn. De enige gedocumenteerde duurzame varroa-tolerantie bij Europese honingbijen was mogelijk door beide bloot te stellen aan de druk van natuurlijke selectie. Door deze natuurlijke selectiedruk vermindert de virulentie van de varroa-mijt.